entree

Welkom op mijn website

Eens komt de grote zomer.

In het Bijbelboek Nehemia gaan de zangers die dienst doen in het Huis van God in dorpjes rond Jeruzalem wonen. De tempel is opnieuw gebouwd, de muur rond Jeruzalem staat weer als een huis, de wet van Mozes heeft onder veel vreugde en gejubel geklonken en heel het volk is gereinigd, inclusief de poorten en de muur.
Met cimbalen, luiten en harpen wordt het gezang ondersteund. De vreugdezang is tot ver buiten Jeruzalem te horen.

Het zijn bijzondere details die Nehemia beschrijft, want de eerste poort, de Schaapspoort, wordt niet voorzien van sloten en grendelen. Alle andere poorten wel maar via de Schaapspoort kon iedereen binnen komen. Later lees je dan ook dat de toezichthouder van die poort nauwe banden had met de vijand. Als Nehemia de indringer ontdekt, wordt zijn huisraad buitengesmeten. Zonder pardon.
De zangers zijn met de noorderzon vertrokken, een ieder naar zijn eigen akker. Want de vijand had ook hun speelruimte ingenomen.
Ook dit wordt door Nehemia hersteld.

Dit vind ik boeiend.
Je denkt: openheid!
Een poort zonder grendels!
Wat mooi dat iedereen zomaar binnen kan komen, dat iedereen welkom is.

Niets is minder waar.
Eenmaal binnen kleedt de vijand je helemaal uit.
Berooft je van alles tot je eenzaam en alleen achterblijft.
Laat geen spaan van je heel.
Als je je geloof wilt belijden, lacht hij je vierkant uit.
Hij zet zelfs zijn eigen spullen in de voorhoven van Gods huis.
Hij posteert zich er gewoon alsof het allemaal van hem is.

Wat heeft het dan nog voor zin om samen muziek te maken...
Om samen te zingen en te musiceren ter ere van Gods heilige Naam...

Een paar eeuwen later zegt Jezus dat Hij de deur is.
Dat Hij de Goede Herder is.
En dat niemand tot God de Vader komt dan door Hem alleen.
En het mooiste is dat Hij de boze met al zijn huisraad buiten geworpen heeft!

Dit maakt mij gelukkig.
Om met speellieden en zangers dicht bij Hem te kunnen wonen.
Lof zij Christus Jezus onze Heer!

“Eens komt de grote zomer waarin zich ‘t hart verblijdt.” (NLB 747)